Monthly Archives: July 2011

Stages of Faith – 5

 

 

The Journey Outward Again, Stage 5 and 6

Stage 5 is
“the journey outward” where our “focus is outward, but from a new, grounded centre of ourselves” (133). At this stage, “we surrender to God’s will to fully direct our lives, but with our eyes wide open, aware but unafraid of the consequences” (133). We possess a new-found confidence that God loves us fully, just as we are. “There is a human tendency to think that if God really knew us God would not love us… At stage 5 we grow into the full awareness that God truly loves us even though we are never fully whole. God loves us in our humanness” (134).

With newfound inward resources, we “venture outside our self-interests to others” (133). We are weak, but whole. Aware of our faults, we are confident that God will work through us.

Wholeness looks a lot like weakness at this stage. Wholeness does not make us stronger; it allows God to work through our weaknesses. Wholeness means being very aware of our faults but not letting them trip us… God can use us most in our brokenness, a truth that was very hard to accept until the Wall experience. (135)
To those still at earlier stages, we appear impractical, inefficient, and out of touch.

Frequently, we appear to be impractical and out of touch with reality. The way the world functions around us, people who are other directed, whole, selfless, and called by God are counterculture. When we love people despite their having failed miserably in our society for whatever reason, we are called naïve; when we stay with the grieving, we are considered caretakers; when we give money away, we are considered poor managers; when we yield, we are considered noncompetitive; when we let go, we are considered weak. We just do not fit with the realistic expectations of a world that is out to be productive and to win. Even the productive Christians at earlier stages in the journey think we at stage 5 have lost our edge…

At stage 5 we are not as oriented toward productivity with outward signs or products. Consequently, we appear less productive and slightly isolated. We are in fact quite active. But we have a tendency to do things behind the scenes or on a one-to-one basis. We never realize that we are hardly noticed. This style can be very confusing and even frustrating for those who want us to be leaders in the more traditional way. (144-145)

Stage 6 is
“the life of love”
where God’s love is demonstrated through us “to others in the world more clearly and consistently than we ever thought possible” (152). By losing ourselves, we find ourselves. God’s presence is experienced in all relationships.

Our times alone with God come during the quiet times away as well as in the everyday, unceasing conversations. We have little ambition for being well known, rich, successful, noteworthy, goal-oriented, or “spiritual”… We are Spirit-filled but in a quiet, unassuming way. (153)

We love with great compassion modeled after God’s love. We live with less and delight in doing menial tasks.

At stage 6 we can reach far beyond our own capacity and love our fellow human beings with deep compassion, because we know that all come from and are loved by God. As Jesus was compassionate even in Gethsemane, at his trial, and on the cross, so we are compassionate under extreme hardship…

At stage 6 we become aware that the more of God we have, the less of everything else we need. We do not renounce material possession. We simply learn to need them less; we become detached from things and people as props or bolstering devices…

We are full of surprises because we are so free, so full of God, and so whole. We can say or do preposterous things because we are not afraid of death. We can deliberately give up our lives, materially, physically, mentally, and emotionally for the service of others without feeling afraid of the deep loss. (154-155, 156)

Our expression of love is selfless rather than needy. We love without the need to be loved in return. We passionately love others in a dispassionate (disinterested, detached) way. We are not egocentric (self-centred), but theocentric (God-centred), christocentric (Christ-centred), and eccentric (others-centred). We love others, not for our sake, but for their own sake; not with our goodness in mind, but with their goodness in mind.

Having shed the false self – a self rooted in possessions, accomplishments, and human acceptance – we embrace our true self, that of being eternally and fully loved by God.

Stadia in geloof – 5

 

 

De uitwendige reis opnieuw, stadia 5 en 6

Fase 5 is

“De uitwendige reis opnieuw” waarbij “onze focus naar buiten gericht is, maar vanuit een nieuw gefundeerd centrum van onszelf.”(133) In deze fase, geven we onszelf over aan Gods wil, om volledig richting te geven in ons leven, maar met onze ogen wijd open, bewust van, maar niet bang voor, de gevolgen.(133) We hebben een nieuw vertrouwen dat God volkomen van ons houd, gewoon zoals we zijn. ”Er is een menselijke neiging om te denken dat als God ons echt zou kennen, Hij niet van ons zou houden. . . . In fase 5 groeien we in de volle bewustwording dat God echt van ons houd ondanks dat we nooit volmaakt zullen zijn. God houd van ons in onze menselijkheid”(134)

Vanuit onze nieuwgevonden innerlijke bronnen “ondernemen we dingen voor anderen zonder er zelf profijt van te hebben.”(133) We zijn zwak, maar heel. Bewust van onze zwakheden zijn we vol vertouwen dat God door ons heen werkt.

Heelheid lijkt in deze fase veel op zwakheid. Heelheid maakt ons niet sterker; het laat God toe om door onze zwakheden te werken. Heelheid betekend dat we ons bewust zijn van onze zwakheden, maar daardoor worden we niet onderuit gehaald . . . . God kan juist door ons werken in onze meest zwakke plaatsen, een waarheid die heel moeilijk te accepteren was voordat we “de muur” ervaring hadden gehad.(135)

Voor degene die nog in een eerder stadia zijn komen we over als onpraktisch, niet efficiënt en buiten bereik.

Heel vaak lijkt het alsof we niet praktisch en buiten bereik van de realiteit zijn.

We leven zo anders als de manier waarop de (Christelijke) wereld om ons heen functioneert. Mensen die anders gericht zijn, heel, niet op zichzelf gericht, geroepen door God, zijn contracultuur. Als we van mensen houden ondanks dat ze in de wereld op wat voor manier ook vreselijk gefaald hebben, worden we naïef genoemd; als we bij de treurenden blijven, worden we toezichthouders genoemd; als we geld weggeven, worden we slechte managers genoemd; als we toegeven, worden we niet strijdlustig genoemd; en als we dingen op z’n beloop laten, worden we zwak genoemd. We passen niet in de realistische verwachtingen van een wereld die productiviteit en winnen als doel heeft. Zelfs de productieve Christenen die in voorgaande stadia van de reis zijn, denken dat wij in fase 5, onze scherpte verloren hebben . . . .

In fase 5 zijn we niet zo georiënteerd op productiviteit met uitwendige tekenen of resultaten. Als gevolg daarvan, lijkt het alsof we minder productief, en geïsoleerd zijn. In feite zijn we zeer actief. Maar we hebben de neiging om achter de schermen te werken of in een een-op-een situatie.  We realiseren ons niet dat we eigenlijk niet gezien worden. Dit kan zeer verwarrend en frustrerend zijn voor hen die ons willen zien functioneren als leiders maar op een meer traditionele manier.(144-145)

 

Fase 6 is

“het leven van liefde”

waar Gods liefde door ons heen gedemonstreerd wordt “naar anderen in de wereld, duidelijker en consequenter als dat we ooit voor mogelijk hadden gehouden”(152) Door onszelf te verliezen, vinden we onszelf. Gods tegenwoordigheid wordt ervaren in elke relatie.

Onze kwaliteitstijd met God ervaren we in onze stille tijd, maar ook in de alledaagse constante conversaties. We hebben geen ambities om goed bekent te staan, rijk te zijn, succesvol, opmerkelijk, doelgericht, of “geestelijk”. . . . We zijn Geest-vervult maar op een stille, onopgemerkte manier.(153)

We hebben lief met bewogenheid zoals God ons ook liefheeft. We zijn tevreden met minder en hebben plezier in het doen van de minder belangrijke dingen.

In fase 6 rijken we vaak verder dan binnen ons bereik ligt, en houden we met bewogenheid van de mensen om ons heen,  omdat we weten dat alles van God komt en dat God van ons houd. Zoals Jezus bewogen was, zelfs in Getsemane, tijdens zijn terechtstelling, en aan het kruis, zo zijn we bewogen onder moeilijke omstandigheden . . .

In fase 6 worden we ons bewust dat, hoe meer van God we hebben, hoe minder we van al het andere nodig hebben. We ontkennen onze bezittingen niet. We leren eenvoudigweg dat we ze minder nodig hebben; we zijn los gekomen van de belangrijkheid van dingen en mensen waardoor we meer belangrijk of succesvol lijken.

We zijn vol verrassingen omdat we zo vrij zijn, zo vol van God, en zo heel. We kunnen dwaze of belachelijke dingen zeggen en doen omdat we niet bang zijn voor de dood. We kunnen opzettelijk en bewust ons leven, lichamelijk, geestelijk, en emotioneel, en bezittingen opgeven om anderen te dienen zonder dat we dat ervaren als een groot verlies.(154-155, 156)

Onze uitingen van liefde zijn onbaatzuchtig. We geven liefde zonder de behoefte er iets voor terug te ontvangen. We houden gepassioneerd van anderen op een voor onszelf belangenloze, ongebonden manier.

We zijn niet ego-centrisch (zelfgericht), maar we zijn theo-centrisch (God-gericht), Christus-centrisch (Christus-gericht), en ex-centrisch (op anderen gericht).

We houden van de ander, niet voor onze zaak maar voor hun eigen zaak; niet met onze goedheid in gedachten, maar met hun welzijn in gedachten.

Nu we onze “valse” zelf hebben afgeschud – een zelfbeeld geworteld in bezittingen, prestaties en menselijke acceptatie – omarmen we onze “echte” zelf, de zelf die voor eeuwig en volledig door God gelieft is.

 

 

 

Stages of Faith – 4

 

Stage 4 and the wall

 

Stage Four: The Journey Inward

Stage 4 is “the journey inward” – “a deep and very personal inward journey” that “almost always comes as an unsettling experience yet results in healing for those who continue through it” (93). In this stage, our former views of God are radically challenged. The disruption can be so great that we feel like we are losing our faith or betraying loyalties.

At this stage, we face an abrupt change (at least many do) to almost the opposite mode. It’s a mode of questioning, exploring, falling apart, doubting, dancing around the real issues, sinking in uncertainty, and indulging in self-centredness. To those around we often look as if we have lost hope and vision.

This newfound (and often surprising) uncertainty is usually precipitated by a crisis meaning that any move from stage 3 to 4 is often in the context of, or as a result of a crisis. A crisis of faith, a crisis where many of the former truths and answers now seem inadequate or inappropriate for the next phase in the journey, or aa crisis over the corporate practices of the church or group we associated with that no longer seem as right as before.

The crisis “shakes our strongly held beliefs or assumptions and we feel adrift on a restless sea, fending for ourselves. Our sense of God is shaken and we can find no new direction, only more questions” (197).

The crisis shocks our system. We lose comfort and question our convictions as our previous faith-supports are no longer adequate.

Why does advancing to this stage usually demand a crisis? The reason is simple: No one would choose this kind of experience on their own!

Most of us are so comfortable and self-sufficient at the previous stage (called the productive or fruitful life) that we have no natural tendency to move at all. In fact, stage 4 does not even look like part of the journey for those of who are at home in stage 3. It does not appear to be an extension of our faith and growth. Consequently, we are not drawn in this direction.

Our aversion to stage 4 is increased because of the very real dangers that accompany this stage. “Sometimes people drop off the journey totally at this point. Overwhelmed by pain or crises in our lives, we absolutely cut ourselves off from God” (107).

There is a very definite transition that has to be gone through to move from stage 3 to stage 4. There is an experience of ‘the wall’. It is impossible to go over, around, or under the wall. One can only go through it. “The Wall experience is the place where… psychology and spirituality converge. Up to this point, one can be religious, spiritual, or fruitful and not be healed psychologically, or vice versa” (115).

At the Wall we are forced to “face the truth” in order to move forward. “The Wall invites us to integrate our spiritual selves with the rest of us. And that involves facing our own and others’ demons. We must face that which we fear the most, and that is why it is so unsavory, and why so many people only enter the Wall under duress” (233).

Most Christians are taught and trained to dance around the wall and then get back to stage 3 as fast as they can. Many Christians don’t know what to do when people hit the wall. Typical responses can range from encouraging them to read the latest spiritual book, get into a quick-fix workshop, get an accountability partner as soon as possible, or if it’s really bad, go to a counsellor for a few times to fix what’s wrong and get back to “normal” as soon as you can.

Only through self-acceptance and surrender to God’s will can one go “through” the Wall to deeper levels of spiritual growth. “The power behind the transformation at the Wall is this: learn to embrace your whole story with loving, forgiving detachment” (234). We must accept ourselves with all our wounds and imperfections. We must experience God’s love and acceptance of us as we are in all our weakness and humanness. And then we must fully and completely surrender to God’s will, even though we remain in the dark.

An example of the spiritual/psychological healing and transformation that occurs is the realization that fixing others, overhelping others, codependency, or excessive enabling of others is not selfless service. These motivations have unhealthy roots. They betray a sense of low self-esteem, a desire to control. (119)

Through doubts and difficulties we come to know God and ourselves better.

Communicating this stage to others who have not experienced it is difficult. People at stage 1 can’t imagine such an experience. Those at stage 2 view it as a lack of conviction. Believers at stage 3 wonder whether we have become apostate altogether. It is hard for those at previous stages to recognize that doubt is not disbelief – doubt is faith taking itself seriously.

These first three stages keep churches in business. It is what produces workers, people who sit in the pews and learn, tithers, and volunteers who pull the ministry off.

In the wall, the transition to entering into stage 4, there is the scary place where it feels like everything is up for grabs. Everything we once knew is somehow gone or just doesn’t bring life. We don’t feel safe or satisfied or energized in the system we used to give our heart and time and money to. The way we used to experience God just doesn’t seem to be working any more, or at least not at the level it was. There are far more questions than answers. It can be a most confusing stage but also a most glorious stage because it is where we begin to let go of some of the comforts that protected us so well, but also kept us from deeper and richer experience of God.

Many (concerned) onlookers observe thinking that we are losing the plot, becoming heretical, losing the faith, with the hope that once this phase is over that we’ll come back ‘home’ as soon as possible.

The huge challenge is that it is possible to dance with the transition, use the language but never go through. To talk the talk but always to default back to stage 3.

 

 

Stadia in geloof – 4

 

Stadia 4 en “de muur”

Fase 4: De inwendige reis

Fase 4 is “de inwendige reis”. Een diepe en zeer persoonlijke inwendige reis die bijna altijd gepaard gaat met een onrustig gevoel maar met als resultaat diepe genezing voor hen die doorzetten. In deze fase worden onze ideeën over God en christen zijn verstoord en met veel vraagtekens omringd. Deze verstoring kan zo hevig zijn dat we het gevoel krijgen ons geloof te verliezen, en verraders zijn.

In deze fase ervaren we een abrupte verandering (althans voor velen is dat zo) naar bijna een tegenovergestelde beleving. Het is een tijd van vragen, onderzoeken, alles stort in, twijfel, om de hete brei heen draaien, wegzakken in onzekerheid, en overgeven aan je eigen verlangens. Voor de mensen om ons heen lijkt het alsof we alle hoop en visie verloren hebben.

Dit nieuwe (en vaak verrassende) gebied van onzekerheid gaat normaal gesproken gepaard met een crisis, elke groei van fase 3 naar 4 gebeurt in de context, of als gevolg van een crisis. Een crisis van geloof, een crisis waar waarheden en antwoorden die we voorheen hadden, niet meer voldoen of van toepassing zijn in de nieuwe fase van onze reis, of een crisis over het functioneren van de kerk of groep waar we mee verbonden zijn.

De crisis “schud ons geloof en sterke veronderstellingen en we voelen ons alsof we in een klein bootje zitten op een stormachtige zee, bezorgd voor onszelf. Ons “contactgevoel met God” schud en we kunnen geen nieuwe richting vinden, we hebben alleen maar meer vragen”.(197)

De crisis schud ons systeem. We voelen ons niet op ons gemak en plaatsen vraagtekens achter onze overtuigingen, omdat onze oude geloofsideeën niet meer bevredigend zijn.

Waarom is er over het algemeen een crisis voor nodig om naar deze fase te komen? Omdat niemand uit zichzelf voor zulke ervaringen kiest!

De meesten van ons zijn zo comfortabel en zelfgenoegzaam in de vorige fase (het productieve en vruchtvolle leven) dat we geen enkele behoefte of verlangen hebben om verder te groeien. In feite ziet fase 4 er niet uit als een deel van de reis voor hen die “thuis” zijn in fase 3. Het ziet er niet uit als een vervolgfase in ons geloof en groei. En logischerwijs worden we dus niet in deze richting getrokken.

Onze weerstand voor fase 4 groeit alleen maar door de zeer reëel aanwezige moeilijkheden die met deze fase gepaard gaan. “Soms stoppen mensen op dit punt van de reis. Overweldigd door de pijn en crisis in het leven, keren we ons volledig af van God” (107).

Er is een zeer duidelijke overgangsfase waar we doorheen moeten als we van fase 3 naar fase 4 gaan. Er is een ervaring van “de muur”. Het is niet mogelijk om onder, over, of om “de muur” heen te gaan. We kunnen er alleen maar doorheen. “De muur” ervaring is een gebeurtenis waar . . . . ziel en geest(elijkheid) samensmelten. Tot dit punt kan iemand religieus, geestelijk en vruchtbaar zijn maar niet innerlijk genezen, en vise versa. (115)

Bij “de muur” worden we, willen we verder groeien, gedwongen de waarheid onder ogen te zien. “Bij “de muur” worden we uitgenodigd om onze geestelijke kant te verenigen met de rest van onszelf. Dat houd ook in dat we oog in oog komen te staan met onze eigen en andermans “demonen”. We komen oog in oog met dat wat we het meest vrezen, en dat is waarom het zo onplezierig is, en waarom zovelen vaak onder dwang (crisis) door de muur gaan”.(233)

De meeste Christenen hebben geleerd en zijn getraind om “om de muur heen” te manoeuvreren en zo snel mogelijk  weer terug te komen naar fase 3. Veel Christenen weten niet wat te doen met hen die tegen “de muur” aanlopen. Typische reacties variëren van, aanmoediging om het laatste geestelijke boek te lezen, ga naar een quick-fix conferentie, zorg dat je zo snel mogelijk een accountability partner krijgt, of als het in hun ogen heel slecht met je gaat, ga een paar keer voor gesprek naar een counsellor om alles weer op een rijtje te krijgen, en wordt zo snel mogelijk weer “normaal”.

Alleen als je jezelf accepteert en overgeeft aan Gods wil kun je door “de muur” naar diepere niveaus van geestelijke groei. “De kracht achter de verandering die plaats vind bij “de muur” is: leer om jou hele verhaal te omarmen met een liefdevolle, vergevende houding”. (234) We moeten onszelf accepteren met al onze wonden en gebreken. We moeten Gods liefde en acceptatie voor onszelf ervaren in al onze zwakheid en menselijkheid. En dan moeten we ons helemaal en compleet overgeven aan Gods wil, zelfs als we voor ons gevoel in de duisternis blijven.

Een voorbeeld van de geestelijke/innerlijke genezing en verandering die naar voren komt is, dat men zich realiseert dat anderen overdreven helpen, andermans problemen oplossen, extreem voor iemand zorgen, emotionele afhankelijkheid, geen onbaatzuchtige dienstbaarheid is. Dit komt voort uit ongezonde bronnen. Zei verraden een gevoel van laag zelfrespect, en een verlangen om te controleren.(119)

Door twijfels en problemen leren we God en onszelf beter kennen.

Over deze fase praten met anderen die dit niet hebben ervaren is moeilijk. Mensen in fase 1 kunnen zich zo’n ervaring niet voorstellen. Zij in fase 2 zien het als een gebrek aan overtuiging. Gelovigen in fase 3 vragen zich af of we niet gewoon afvalligen zijn. Het is moeilijk voor hen in stadia 1 tot 3 om te herkennen dat twijfel niet per definitie ongeloof is – twijfel is geloof dat zichzelf serieus neemt.

Deze eerste drie stadia zorgen ervoor dat de kerk blijft draaien. Deze stadia produceren werkers, mensen die in rijen zitten en luisteren, tienden-gevers, en vrijwilligers die de bedieningen motiveren.

In “de muur”, de overgang naar fase 4, is een enge plaats waar het lijkt alsof alles waardeloos is. Alles wat we voorheen wisten is op een of andere manier weg of brengt geen leven meer voort. We voelen ons niet meer veilig of tevreden of bemoedigt in het systeem waar we voorheen ons hart, tijd en geld aan gaven. De manier waarop we voorheen God ervaarden lijkt niet meer te werken, of in ieder geval niet meer op hetzelfde niveau. Er zij veel meer vragen dan antwoorden. Het kan wel de meest verwarrende fase in ons leven zijn maar ook de meest glorieuze fase omdat we beginnen los te laten/komen van onze welstandssystemen die zo goed voor ons zorgden, maar ons ook weghielden van een diepere en rijkere ervaring van God.

Vele (bezorgde) toeschouwers denken dat we volledig ons doel missen, we ketters worden, ons geloof verliezen, en ze hopen dat deze fase vlug voorbij is zodat we zo snel mogelijk weer “thuis” komen.

Een groot probleem is, dat het mogelijk is met de overgang die bij “de muur” plaats vind mee te bewegen, de juiste taal te gebruiken maar er nooit doorheen te gaan. Om er wel je mond vol van te hebben maar toch altijd weer terug te keren naar fase 3.

 

 

 

Stages of faith – 3

 

The First Three Stages: The External Journey

The critical journey is composed of six stages. The first three are primarily external; the second three, internal.

In the first three stages, our faith or our spirituality takes its expression most frequently in ways that are prescribed by external standards, whether by the Church, a specific spiritual leader, a book, or a set of principles… Stages 4-6 represent a difficult personal transformation that requires a rediscovery on a different level of what faith and spirituality are all about.

Stage 1
“is the discovery and recognition of God” (33). Accepting the reality of God can begin while one is young, or it can occur later through a religious experience or conversion. This conversion can be instantaneous or can occur over a long period of time.

The first experience of God is wonderful and refreshing in its newness.

Regardless of our age, however, it seems true that most begin the journey in a childlike way. We come to it with an innocence, a freshness, that is seldom ever again as vivid or vital. It is comparable to the way we feel during the first stage of a romance or new friendship. Swept away by the experience of the relationship, we do not look at any of the negative aspects.

Stage 2
is a “time of learning and belonging” labeled “the life of discipleship”. It primarily involves learning in a community setting from spiritual leaders or religious writings. We encounter a set of ideas, a belief system or a group of people who show us the light and answer our questions. It is such a big relief and feels so safe and secure – like a haven in a storm. And it gives us what we need.

Stage 3
is “the productive life” and involves consciously serving God through one’s spiritual gifts. The truths learned at stage 2 find an outlet in service at stage 3.

Most evangelical models of Christian growth stop here. The implication is that the pinnacle of Christian maturity is faithful, committed service (virtually always in the context of a church, or in a context that benefits a church). The most committed people serve professionally in the church. However, it is obvious that a person can arrive at this stage and still be self-serving, legalistic, immature, and inwardly unhealed. Christian service is not the best determiner of spiritual maturity. This is the value of Hagberg and Guelich’s model. According to them, “the productive life” is important, but it is not the goal. Indeed, on the map of the Christian journey, those at this stage are only half-way there!

Many church leaders do not know of or understand anything beyond stage 3, and when they witness the struggle of stage 4 they question and judge the person’s faith. This results in many people leaving the church when they experience stage 4.

 

Stadia in geloof – 3

 

De eerste drie stadia: De uitwendige reis

De kritische reis bestaat uit zes stadia. De eerste drie zijn hoofdzakelijk uitwendig terwijl de tweede drie inwendig zijn.

In de eerste drie stadia, word ons geloof of geestelijk leven over het algemeen richting gegeven door manieren van leven die naar ons toe komen door, de kerk, een speciale geestelijke leider, een boek of een aantal principes….. Stadia 4 tot 6 representeren een vaak moeilijke persoonlijke innerlijke verandering die gepaard gaat met het herontdekken van een ander niveau van geloof en geestelijkheid.

Fase 1

Is een “ontmoeting en herkenning van God” Het accepteren van de aanwezigheid van God kan al op jonge leeftijd plaatsvinden maar kan ook in een later stadium plaatsvinden door een religieuze ervaring of bekering. Deze bekering kan een moment zijn maar kan ook over een periode plaatsvinden.

Deze eerste ervaring met God is wondervol en verfrissend omdat alles nieuw is.

Ongeacht onze leeftijd beginnen de meesten van ons deze reis met God op een kinderlijke manier. We staan erin met een onschuld en frisheid die we nog maar zelden tegenkomen bij mensen die al langer op reis zijn. Het is te vergelijken  met hoe we ons voelen in een nieuwe vriendschap, verliefdheid. Meegenomen in de sensationele ervaring van deze relatie zijn we blind voor enig negatief aspect ervan.

Fase 2

Is een tijd van “leren en erbij horen” ook wel een “tijd van discipelschap” genoemd. Dit houd hoofdzakelijk in  dat men in een groep onderwezen word door een geestelijk leider of aan de hand van geschriften. We worden geconfronteerd met bepaalde geloofsideeën, een geloofssysteem, of een groep mensen die ons leiden naar het licht en onze vragen beantwoorden. Het geeft een enorme opluchting en voelt heel veilig en zeker, als een haven in een storm. En het geeft ons wat we nodig hebben.

Fase 3

Is het “productieve leven” en houd in dat we God zeer bewust dienen met onze geestelijke gaven. De waarheden die we geleerd hebben in fase 2 kunnen we toepassen in het dienen in fase 3.

De meeste evangelisch Christelijke modellen voor groei stoppen hier. Het logische gevolg is, dat het hoogtepunt van christelijke volwassenheid, betrouwbare toegewijde dienstbaarheid is (bijna altijd in relatie met de kerk, of in een situatie waarbij de kerk voordeel heeft). De meest toegewijde mensen dienen beroepsmatig in de kerk.

Het is echter duidelijk, dat iemand in deze fase kan komen, maar nog steeds wettisch, onvolwassen, innerlijk niet genezen is, en op zoek naar eigen eer. Christelijke dienstbaarheid is niet de beste graadmeter voor geestelijke volwassenheid. Dit is de waarde van het model van Hagberg en Guelich. Volgens hen is het “productieve leven” belangrijk, maar het is niet het doel. Inderdaad, op de kaart van de christelijke levensweg zijn zij in deze fase slechts halverwege de reis.

Veel kerkleiders weten niet van het bestaan of begrijpen niet dat er meer is dan fase 3, en als zij iemand zien worstelen met fase 4, zetten ze vraagtekens en beoordelen het geloof van die persoon. Dit heeft tot gevolg dat velen de kerk verlaten als ze fase 4 gaan ervaren.